Het keuren van de dieren gebeurd aan de hand van "de standaard". De standaard geeft een zo duidelijk en zorgvuldig mogelijke beschrijving van de Nederlandse dwerggeit. Zij wordt dan ook gebruikt als leidraad voor fokkers en juryleden. In 1988 is de standaard aangepast aan de evolutie van onze Nederlandse dwerggeit en op diverse onderdelen verder verfijnd. Deze standaard is opgebouwd vanuit een goed evenwicht tussen de beschrijving van het ‘algemeen voorkomen’ en de ‘algemene eigenschappen’ enerzijds en een gedetailleerde beschrijving van de verschillende ‘onderdelen’ anderzijds. In de beoordeling van type, maatverhoudingen, geraamte, spierontwikkeling en onderdelen, gestreefd naar een zorgvuldig evenwicht tussen levensduur, voortplanting, wendbaarheid, souplesse, snelheid, sprongkracht en een aansprekend, alert en levendig karakter.

Geitlam

Volwassen dwerggeit

Boklam

Volwassen dwergbok
Algemeen voorkomen
Het algemeen voorkomen is een eerste en erg belangrijk gegeven. De totaalindruk van type, bouw en karakter wordt het algemeen voorkomen genoemd en dit is gebaseerd op de eerste indruk. Door het dier langduriger te bekijken en zorgvuldig te beoordelen op alle onderdelen, kan de totaalindruk iets worden bijgesteld.
Het algemeen voorkomen is harmonieus en edel, zonder dat er sprake is van te fijn en iel type. Het karakter is alert en levendig. De conditie dient bij te dragen tot het beeld van een voldoende bespierde maar slanke, glanzende en levendige verschijning.
Algemene eigenschappen
Onder algemene eigenschappen verstaan we snit, kwaliteit, adel en klasse.
Een snittig dier spreekt aan vanwege een of enkele fraai ogende eigenschappen. Snit is gebaseerd op een chique, slanke verschijning met een optimale beharing en een enigszins correcte belijning, met name in de bovenbouw. Door een wisselende conditie en beharing kan een dier ook wisselend meer of minder snittig zijn.
Kwaliteit slaat voornamelijk op de bouw. Deze eigenschap heeft betrekking op de dichtheid, hardheid, veerkracht en voldoende ontwikkeling van de weefselstructuren van geraamte, bespiering en huid.
Een adel, of ook wel edel, dier heeft een fraai type, veel snit en een redelijke kwaliteit. Kenmerkend voor adel is verder een karakter met veel temperament en expressie.
Een dier met klasse blinkt uit in type, snit, kwaliteit, adel en correctheid in al de onderdelen. Conditie, toilet en presentatie dienen tevens perfect te zijn. ‘Klasse is een verzamelkwalificatie en meteen de hoogste van de algemene eigenschappen.
Type
Het type van onze dieren bepaalt voor een groot gedeelte de uiterlijke verschijningsvorm
Een goed type wordt bepaald door de juiste maatverhoudingen, een fijne huid met korte, glanzende beharing, in combinatie met een fijne, vaste spiervezel, een atletische opdruk en door een temperamentvol karakter. Door jarenlang op deze zaken te fokken en te selecteren hebben de dieren een edeler, meer aansprekend aanzien gekregen. Ten aanzien van de verhoudingen tussen hals, voorhand, middenhand, achterhand en benen zoeken we naar harmonieus geheel, waardoor er een type ontstaat dat vitaal, maar vooral ook levendig en sterk aanprekend overkomt. De overgangen moeten vloeiend verlopen. We zoeken een type dat afhankelijk van de leeftijd de wig, respectievelijk de balkvorm laat zien. Onder wigvorm verstaan we zodanige lichaamsverhoudingen dat het dier in de achterhand meer diepte laat zien dan in de voorhand. Onder balkvorm wordt verstaan dat de diepte in de voor- en achterhand gelijk is. Vrouwelijke dieren die gelammerd hebben moeten een lichte mate van wigvorm vertonen, de jeugdvorm dient de balkvorm te vertonen. Mannelijke dieren dienen altijd de balkvorm te vertonen.
Maatverhoudingen
Voor zowel het mannelijke als het vrouwelijke type, de jeugd als de volwassen vorm, gelden min of meer vaste verhoudingen in de hoogtemaat, de lengtemaat, de diepte en de breedte. Dieren met goede maatverhoudingen worden hoger gewaardeerd dan dieren die de exacte grootte laten zien. Alle genoemde maten spelen bij de beoordeling van de verhoudingen een even belangrijke rol. Deze maten zijn tot stand gekomen door veelvuldig meten van dieren die in de ogen van fokkers en juryleden voldeden aan het ideale fokdoel. De standaard is dan ook geschreven met deze dieren als uitgangspunt.
De belangrijkste maten bij onze dieren zijn de hoogte- en de lengtemaat. Mannelijke dieren mogen iets hoger zijn dan vrouwelijke dieren.
De hoogtemaat is de vertikale afstand van bodem tot het hoogste punt van de schoft. Bij de volwassen vorm moeten de vrouwelijke dieren een hoogtemaat hebben tussen de 45 en 55 cm. Bij de mannelijke dieren moet de hoogtemaat tussen de 50 en 60 cm zijn.
De lengtemaat is de afstand van de voorborst tot de achterkant van de dijbespiering. De lengte dient bij volwassen vrouwelijke dieren tussen 14 en 20% meer te zijn dan de hoogte. Volwassen mannelijke dieren dienen een lengte te bezitten van ongeveer 10% meer dan de hoogte. Voldoende lengte binnen de romp geeft een iets gerekt type dat voldoende ruimte biedt voor de inwendige organen en de mogelijkheden geeft voor soepele bewegingen.
Kleur
Aan de kleur van de dwerggeit of dwergbok wordt in theorie geen eisen gesteld. De smaak van de individuele fokker mag hierbij de boventoon voeren. Fokken op een bepaalde kleur betekend meestal wel minder snel vooruitgang in type en bouw. Immers de populatie eenkleurig zwart en eenkleurig bruin is vele malen groter dan de anders gekleurde of bonte dieren.